The road to nowhere - Katerverhalen

23 – The road to nowhere

Vier dagen geleden liet ik alles achter me, stapte ik op de motor en vertrok ik naar het zuiden. Weg van alles, van de herinneringen, slechte gewoontes en de neerwaartse spiraal waar ik in beland was. Bestemming onbekend. Onbekend tot ik het koud kreeg en Breukelen ver genoeg bleek.

Breukelen. Minstens duizend keer ben ik daar langsgereden, maar ik kan me niet heugen er ooit eerder gestopt te zijn. Al snel is me duidelijk dat ik die duizend keer de juiste keuze heb gemaakt, dus ik rijd het dorp uit op zoek naar een camping.

Teruggaan is tenslotte geen optie, daarvoor ben ik te demonstratief vertrokken. Alleen even terug naar huis om spullen te halen kan ook niet, want ik heb mijn huissleutels aan Diederik gegeven.

Op de camping doet zich het volgende probleem voor, want ja, kampeerspullen heb ik ook niet echt bij me. Ik leg mijn probleem aan de campingbaas uit, die me met een blik die zowel verveeld als verbaasd is, aankijkt. Gelukkig heeft hij een kampeerwinkel met zwaar overprijsde kampeerartikelen.

Ik kruip half onderkoeld in mijn nieuwe trektent. Een trektent die zo klein is dat je er niet eens in kan trekken, maar dat terzijde.

Uitslapen in mijn opvouwbare doodskist zit er ook niet in. Ik was vergeten hoe luidruchtig de natuur kan zijn. Met name die nazikrekel naast mijn hoofd. Ik sleep mezelf met moeite de dag door, tot ik in de avond eindelijk wat cultureels kan doen. Op naar de lokale buurtkroeg.

Daar aangekomen ga ik op een lege kruk zitten, naast wat overduidelijk een stamgast is. Henk, heet deze doorgewinterde alcoholist. Nou ja, ik heb inmiddels door dat ik slecht ben in namen onthouden, maar als ik mensen zelf een naam geef waarvan ik vind dat die bij hen past, onthoud ik het beter. Dus hij heet Henk. Hoewel Arie hem ook niet zou misstaan.

Ik zit hier nu eenmaal, dus ik kan maar beter er iets van maken en ik heb niet het idee dat Henk iets beters te doen heeft dan naar mij luisteren. Dus ik bestel een biertje en steek van wal.

Zeg, ik krijg steeds vaker de vraag of ik niet wat met mijn leven moet gaan doen. Maar ja, ik weet niet hoe jij erover denkt, maar wat moet ik er dan mee doen, vraag ik me af. Volgens mij doe ik er toch al wat mee. Ik leid mijn leven. Ik eet, drink, slaap en sta op den duur zelfs weer op.”

Arie blijft stil.

Als je geen zin hebt in dit soort existentiële vraagstukken moet je het zeggen hoor.

Henk onderbreekt de intense romantische blik richting zijn glas en heft zijn hoofd op. “Existe… nou ja, ik ben eigenlijk niet meer zo van de kerk.”

Goed, ik heb duidelijk te hoog ingezet voor Henk. Ik schroef het een tandje terug en introduceer: ‘To do or not to do’. Al gebruik ik die naam niet, want ik ben bang dat het Hendrie dan weer te ingewikkeld wordt. Het is het meest doelloze vermaak. Iets dat Bendjamin en ik wel eens deden op saaie avonden in de kroeg. Voor iedere dame die binnenkomt, moet je aangeven of je haar zou doen of niet. Omdat Bendjamin en ik de schijn hoog willen houden dat we geen oppervlakkige seksistische honden zijn, doen we het subtiel met een bierviltje: plaatje omhoog is ‘doen’, plaatje omlaag is ‘niet doen’.

De overige regels, zoals een als straf shotje na 5 keer viltje naar beneden, en  verplicht wingmannen (ik vind dat het een woord is) laat ik ook maar achterwege voor Adrie. Niet alleen om het simpel te houden, maar strafshotjes zouden nog wel eens zijn dood kunnen worden. En zijn hulp bij het versieren, is wel het laatste waar ik op zit te wachten.

Harry snapt het en kijkt gefocust naar de deur met zijn viltje al in de hand. Na een paar minuten komt de eerste kandidaat binnen. Het is een klein, gedrongen dikkertje waarvan ik het vermoeden heb dat de ouders wellicht neef en nicht zijn. Naast een onaantrekkelijk playmobilkapsel, een te bleke huid en een gebrek aan nek, heeft ze ook een vrij intense blik.

Zo’n geforceerde vriendelijke blik waarbij de ogen net te wijdopen staan en het meteen beangstigend wordt. Zo’n blik van een overdreven christelijk figuur waarvan je weet dat ze iets verbergt. Niet iets leuks, zoals dat ze het liefst anaal geneukt wordt, terwijl ze het bit en hoofdstel van haar paard op heeft. Maar meer iets in de trant van dat ze alle dieren in de buurt vergiftigt en het liefst een baby levend zou verbranden.

Ik leg, uiteraard, mijn bierviltje met het plaatje naar beneden op de bar. Als ik naar Arie kijk, zie ik dat hij het plaatje omhoog heeft liggen terwijl hij tevreden aan zijn bier lurkt. Ik vraag ter controle “Dus je zou haar wel doen?” Hij kijkt me aan en zegt: “Ik weet dat ik de lat niet te hoog moet leggen.” Zelfkennis, heel goed.

Ik ben zelf ook niet al te kieskeurig. Ik weet wat mijn marktwaarde is en leg dus het plaatje heus niet alleen omhoog bij de hele lekkere wijven. Erger nog, die laat ik vaak schieten omdat die te arrogant of inhoudsloos overkomen. Maar dat is niet de reden dat ik na twee uur nog steeds geen enkele keer mijn bierviltje met het plaatje naar boven heb gelegd.

Ik weet niet of er hier veel inteelt is of dat er ooit experimenten met biologische wapens zijn gehouden, maar het is niet best gesteld met de gemiddelde Breukelaar. Het voordeel is dat ik absoluut de meest aantrekkelijke man in deze kroeg ben. Het nadeel is dat ik er niets aan heb als er niemand viltje-omhoog-waardig is.

Dirk zegt opgewekt “Aaah” als Toos binnen komt lopen, duidelijk de meest sexy geklede dame van de avond. Blouse met mijlendiep decolleté en strakke panterlegging. Jammer dat het een ouwe graftak is. Ze ziet eruit alsof ze tegen de tachtig loopt, maar dat komt vast doordat ze teveel onder de zonnebank heeft gelegen. Haar te bruine huid is als leer, stug leer, en ze heeft er ook nog eens veel te veel van. Haar hele gezicht is niets anders dan een aaneenschakeling van rimpels en huidplooien. Naast haar heeft een bulldog een strak gezicht. Haar decolleté is ook geen aangename afleiding, want het zijn gewoon twee lege drinkzakken gemaakt van buffelleer, die er een beetje levenloos bij hangen.

Het enige wat ik met haar zou willen doen, is haar heel hard in haar gezicht slaan. Niet omdat ik denk dat het een naar iemand is, ze is vast heel aardig, maar omdat ik het heel graag met een slow motion camera zou filmen om daarna terug te kijken wat er met al die overtollige huidflappen gebeurt.

Met het stemgeluid van een mijnwerker met bronchitis zegt ze tegen iedereen structureel ‘schat’, terwijl ze zich door de kroeg heen onze kant op beweegt. Bij Henry aangekomen, zegt ze heel origineel “Hey schat” en geeft hem een kus op zijn wang. Terwijl ik een kokhalsneiging probeer te onderdrukken, vraagt ze vervolgens “Wie is dat lekkertje naast je?

Ik leg het bierviltje met het plaatje naar beneden en zet er voor de zekerheid nog mijn lege gas op. Tijd om terug naar mijn tent te gaan.

Facebook Reacties
Like katerverhalen op Facebook