Blind date - Katerverhalen

35 – Blind date

Ik zit in café Hesp op een blind date te wachten. Mijn beste vriendin Stéphanie was al mijn Tindermislukkingen zat en stond erop dat ze me zou koppelen. Ik maak me wel lichtelijk zorgen, want mijn ervaring is dat ik tot nu toe iedere keer als ze zei “Is zij niet wat voor jou?” ik vol overtuiging en zonder enige twijfel “NEE” kon antwoorden. Maar ze liet duidelijk blijken dat niet instemmen geen optie was, dus nu zit ik hier. Geen idee hoe mijn date eruit ziet, hoe oud ze is of wat ze doet. Ik weet alleen dat ze Meerthe heet en dat voorspelt al weinig goeds. Iedere Meerthe die ik ooit ontmoet heb, is namelijk een pretentieuze hockeymuts.

Een stem roept “Jij moet Boris zijn!” Ik moest van Steph mijn cowboylaarzen aandoen, zodat ze mij zou herkennen en dat is blijkbaar gelukt. Ik kijk op en er staat een vrolijke, stralende, leuke jongedame. Ik ben blij verrast, want Steph kennende had het ook een vrouwelijke sumoworstelaar met een IQ van 80 kunnen zijn. Uiteraard wel een vrouwelijke sumoworstelaar met een goed hart, want dat ziet Steph dan wel altijd door alle ellende heen. Nee, deze lijkt op het eerste oog redelijk normaal, maar goed, er kunnen nog genoeg verborgen gebreken zijn.

Ze opent al vrij snel met “Ik was door die cowboylaarzen wel een beetje bezorgd dat je een hipster zou zijn. Die baard stelt me niet echt gerust.” Godver, ben ik weer in een hipsterparadox beland. Het eerste teken van een hipster zijn, is namelijk ontkennen dat je een hipster bent. Maar het alternatief is bekennen dat je een hipster bent en dan ben je ook een hipster. Het is dezelfde ellende als mensen me alcoholist noemen, daar kom je ook niet onderuit. Het is verdomme niet eens echt een baard: ik heb gewoon al twee maanden niet zo veel zin om me te scheren.

Een tegenaanval is de beste verdediging, dus ik begin over dat ik bang ben dat alle Meerthes pretentieuze hockeytrutjes zijn. Waarop ze antwoordt “Ik ben niet pretentieus, maar ik probeer daar nog aan te werken.” Met deze opmerking luidt ze een erg interessante avond in. Twee kroegen later zijn we allebei behoorlijk dronken en begrijp ik nog steeds niets van deze chick, dus ik neem haar mee naar huis voor nader onderzoek.

Als ik wakker word, lig ik lekker tegen haar aan: lepeltje lepeltje. Ze is leuk, denk ik, maar ik begrijp nog altijd helemaal niets van haar. Het enige dat ik nu wel weet, is dat mijn kater tegen niveau vier aan zit en ik een wind op voel komen. Zo’n nare katerwind waarvan je weet dat hij een uur in de wind gaat stinken. Ik lig te lekker en ben te brak om me van haar los te wurmen dus ik besluit om de wind gewoon onder de dekens te laten en ondertussen mijn ene been uit te strekken om in de uiterste hoek de deken wat op te tillen, zodat de meur weg kan trekken. Precies terwijl ik dat doe, wordt ze wakker en draait zich naar mij toe om. Door de opening die er tussen ons is ontstaan, trekt de meur alleen vol richting onze gezichten. Aan haar geschrokken blik zie ik dat ze hem ruikt. Hoe kan ze hem ook niet ruiken, want het is een juweeltje met een stevig rijk boeket. Ze trekt wit weg en rent naar de wc om te kotsen.

Facebook Reacties