6 - McDonalds rescue - Katerverhalen

6 – McDonalds rescue

Het is zondagmiddag en ik zit verdomme in de McDonald’s. Hoe we hier beland zijn was vast ook een heel avontuur. Maar om eerlijk te zijn is het nadat Eland en ik onze LSD hadden genomen allemaal een beetje vaag. Nou ja, vaag, maar toch heel duidelijk. Iets wat moeilijk is uit te leggen is als je nooit LSD hebt gebruikt.

Eland zit tegenover mij. De McDonald’s triggerde bij hem een Pavloviaans jeugdsentiment wat hem in een schaapachtige modus bracht. Het maakte hem blind voor de duisternis.

Hij ziet niet wat ik zie, de horrors die hier plaatsvinden. Het is zondagmiddag dus de zaak zit vol met gezinnetjes. Dikke ouders met dikke kinderen, allemaal met dezelfde schaapachtige expressie. Ze zijn geïndoctrineerd – misschien zelfs gehersenspoeld – maar zeker geen vrij denkende mensen meer. Ze zijn in de veronderstelling dat dit leuk is; een aangename plek, een uitje. Ik hoorde een man zelfs het woord lekker gebruiken. In de McDonald’s. Lekker!

Ik krijg het benauwd. Ik zie donkere wolken over de dikke kindjes trekken. Ik hoor hun hartslag met iedere hap die ze nemen zwakker worden. Ik kijk naar Eland en ik zie hoe zijn ouders hem ook hier naartoe hebben gesleept en verteld hebben dat het lekker is. Hij is jaren geleden ook gehersenspoeld.

Het is overweldigend. De eindeloze herhaling van het logo: de gele M. De kleuren, de uniformen en de talloze beeldschermen die het woord van ‘blijdschap’ verkondigen. De Happy Meals en de bijbehorende speeltjes; troep die ze bij de Action nog niet eens zouden durven verkopen. Het kwaad is overal om me heen, maar niemand die het ziet.

Er is hier geen plek voor ongelovigen en wij vallen uit de toon omdat we niets te eten voor ons hebben. Het beeld van de clown begint me ook al argwanend aan te kijken. Dus ik besluit ijs te halen, of een McFlurry zoals ze het hier noemen. Een naam bedoeld om die illusie van leuk en lekker in stand te houden. Met het ijs wil ik Eland de zaak uit lokken. Als hij buiten is kan ik hem misschien redden, maar hier binnen ben ik kansloos.

Ik beweeg me richting de toonbank. Met knikkende knieën. Letterlijk: ik zak vier keer bijna door mijn knieën en wankel bij iedere stap. Ik weet niet of het de ketamine van net is, of angst. De angst dat de dame achter de balie zal zien dat ik een ongelovige ben en hier niet hoor. Ik moet normaal doen, doen alsof ik het leuk vind, hier vaker kom. En ik moet verdomme ophouden met door mijn knieën zakken als een spastisch pasgeboren veulen. Ik weet niet wat ze hier met ongelovigen doen, dus ze mogen het niet zien.

Met een laatste grote stap werp ik me richting de balie waar ik subtiel mijn bovenlichaam overheen laat vallen. Nonchalant wurm ik me met mijn ellebogen overeind en ik zoek oogcontact met de dame. Ze kijkt me vriendelijk aan en glimlacht. “Kan ik u helpen?”. Maar ik zie het, ik zie het meteen. Ze hoeft niets te zeggen, want haar ogen zeggen alles. Ze zeggen “Help mij!”. Zij wil hier niet zijn, ze hebben haar gevangen. Ze proberen haar te hersenspoelen, maar het is ze nog niet gelukt. Alleen zij laat dat niet merken. Mij wel: mij laat ze haar ziel zien.

Er is weinig tijd. Ik weet niet wie te vertrouwen is, en wie niet. Hoe ze ons in de gaten houden en of ze het al door hebben. Ik draai me om en zoek oogcontact met Eland. Tevergeefs, hij is kwijt. Hij zit er nog wel, maar zijn ziel is verloren. De medewerkster is echter nog te redden, dus ik moet alles op alles zetten. Geen tijd om na te denken, maar doen. Ik kijk haar aan en zeg: “Ik begrijp je.”, en sleur haar over de toonbank, de kortste weg naar veiligheid. Ze verzet zich – heel goed. Als de ontsnapping mislukt kan ze nog doen alsof ze het niet wilde en doen alsof ze gelukkig is hier in de McDonald’s.

Ik heb haar over de toonbank getrokken en sleur haar nu richting de deur, de poorten van deze bovengrondse dependance van de hel. Ze roept dat ze wil blijven. Shit, is haar verzet dan toch niet gespeeld? Of is dit het Stockholm Syndroom en ziet ze het kwaad niet meer? De andere medewerkers rennen op ons af. Ik kan haar niet mee blijven slepen als ze zo spartelt. Als ze mij pakken word ik geassimileerd en sta ik hier volgende week ook achter de balie met zo een schaapachtige nepglimlach. Ik laat haar vallen, ik kan niet anders. “Sorry, ik heb het geprobeerd!” roep ik nog, terwijl ik weg hobbel.